Geen angst
Door Koos Stenger
Mijn grootste angst werd bewaarheid toen ik in het ziekenhuis terecht kwam. Ik was verschrikkelijk bang voor de enorme, dreigende gezondheidsfabriek waar onpersoonlijke artsen mijn symptomen bestudeerden met afgemeten professionele blikken en verpleegsters op de gekste uren van de dag een thermometer in mijn mond stopten, me een injectie gaven, of een kopje slappe koffie voorzetten.
“God, haal me hier uit!”
“Maak je geen zorgen”, antwoordde Hij.
“Hoe kunt U dat nou zeggen? Ik haat het hier.” Ik wist zeker dat God per ongeluk de verkeerde in het ziekenhuis had gelegd. Ik hoorde hier helemaal niet. Waarom moest ik het zijn?
“Maak je geen zorgen,” zei God nogmaals. “Ik ben voortdurend bij je.
“Voortdurend?”
“Ja, Mijn zoon. Voortdurend! ”
Dat hielp me om wat vrede te vinden.
Ik ging achterover liggen en probeerde me te ontspannen. Ik maakte me nog steeds zorgen en was nog steeds nerveus wanneer er weer een nieuwe dokter verscheen die zijn ogen toekneep terwijl hij naar mijn kaart keek. Wat zag die man daar? En die verpleegsters bleven nog steeds thermometers in mijn mond stoppen en me met naalden prikken zodra het ochtend werd, maar toch was er iets veranderd.
Ik zag God ook naar me glimlachen. “Het geeft niet, Mijn zoon. Ik zei al dat Ik bij je ben.”
En dat hielp. Er was vrede. Niet het soort vrede dat je voelt op een bankje aan een prachtig bergmeer waar je naar het lofgezang van de vogels zit te luisteren die de Schepper prijzen. Maar toch was er een zekere vrede en misschien was het op een vreemdsoortige manier zelfs beter dan op dat bankje aan een meer.
Anderen hadden het kennelijk ook gezien. De dag waarop ik het ziekenhuis kon verlaten kwam er een man naar me toe die ik nooit eerder gezien had. “Kan ik u even spreken?” vroeg hij. Ik trok vragend mijn wenkbrauwen op. “Jazeker.”
“U bent gelovig, niet?” vroeg hij.
“Hoezo zegt u dat?”
“Twee weken geleden werd ik met spoed binnengebracht. Ik zou die dag op vakantie gaan, maar in plaats daarvan ging het mis en kwam ik in het ziekenhuis terecht. Ik overwoog al om maar uit het raam te springen. Toen zag ik u.”
Wat is daar zo goed aan? vroeg ik me af.
“U was zo vredig. U had geen stress. Ik vroeg me af hoe dat kwam, maar toen zag ik een bijbel op uw nachtkastje liggen. Toen wist ik het; God is bij me. Ik hoef nergens bang voor te zijn.”
Hij schudde me de hand en bedankte me uit de grond van zijn hart voor de hulp die ik voor hem was geweest.
Hulp? Ik had helemaal niets voor hem gedaan. Ik had alleen maar met mijn eigen angst geworsteld. Maar toen hoorde ik God weer spreken: “Ik zei je toch dat Ik voortdurend bij je ben. Je hoeft nergens bang voor te zijn.”