Waar het licht wacht
Door J.K.Stenger
Ergens in Drenthe rond 1850
Normaal gesproken was Fien er nooit meer op uitgegaan.
Zeker niet op kerstavond en bovendien was het hondenweer. De wind loeide rond haar eenvoudige huisje ver buiten het dorp. De luiken klapperden, de deuren kraakten en zelfs de kaarsen flakkerden onrustig.
De dokter had gezegd dat ze zich niet mocht vermoeien, zeker niet op zo’n avond als deze. Daar was ze veel te zwak voor. Hij had er alles aan gedaan wat hij met zijn medische kennis kon doen, maar haar ziekte was hardnekkig en hij had haar pas nog verteld dat haar dagen misschien wel geteld waren.
Zo erg was dat niet.
Ze was moe van deze wereld met al die pijn en verwarring en bang voor de dood was ze niet. Er leefde diepe rust in haar hart.
Maar toen ze zich net warm en knus in haar schommelstoel bij de open haard had genesteld met een heerlijke beker warme chocolademelk in haar hand, werd er op de deur gebonkt.
Niet luid, maar toch duidelijk hoorbaar. Toen ze beter luisterde, hoorde ze ook een kinderstemmetje.
“Doe open alstublieft … Help!”
Van de weeromstuit morste ze chocolademelk op haar houten vloer.
Wat was dat nou?
Wie zou er met dit hondenweer nog buiten zijn? En een kind nog wel.
In de buurt woonden geen kinderen. De dichtstbijzijnde boerderij was die van Gerrit Blom; zeker een kilometer verderop, dus hoe zou zo’n kind hier terecht komen?
Het bonzen op de deur hield aan en tenslotte was er maar één ding wat Fien kon doen. Ze stond op en liep voorzichtig naar de deur.
“Hallo,” riep ze onzeker terwijl ze gespannen luisterde. “Wie is daar?”
“Alstublieft, doet u open,” hoorde ze weer. Nu kon ze duidelijk horen dat het de stem van een klein meisje was. Nog even aarzelde ze. Je kon tenslotte nooit zeker weten wie er voor de deur stond.
Maar dit was kerstavond en op kerstavond hoef je toch zeker niet bang te zijn, want dat was de nacht waarop de hemelse gloed werd uitgestort over de aarde. Dit was de enige avond waarop de vrede werkelijk regeerde. En dus schoof ze de knip opzij en opende ze de deur voorzichtig. De ijzige wind blies haar in het gezicht en rukte aan haar lange rok. Haar haren raakten los uit haar knotje en wapperden in het rond en er liep een koude rilling door haar oude lichaam. Maar dat was even niet belangrijk. Wie had er op de deur geklopt?
Ze knipperde met haar ogen en zag daar een klein, verkleumd meisje staan. Haar kleine vlechtjes staken onder haar mutsje uit en haar eenvoudige jasje was met sneeuw bedekt.
“Och mijn arme schaap,” zei Fien. “Wat moet jij nou buiten in deze koude kerstnacht. Kom toch binnen. Je kunt je lekker even warmen bij het vuur en ik maak je een kop warme chocolademelk.” Ze opende de deur wijd, maar het meisje bleef staan.
“Nee,” sprak ze beslist. “U moet meekomen en helpen.”
Helpen? In deze storm?
Maar Fien was altijd de eerste om een hand uit te steken wanneer daar om gevraagd werd en dus schoof ze haar tegenzin opzij en vroeg: “Wat is er dan, mijn kind?”
“Vader heeft een boomtak op zijn hoofd gekregen en hij kan ons koetsje met het paard niet meer rijden. Moeder zit met de baby achterin.”
Fiens hart was meteen geraakt. Ziek of niet ziek, ze moest helpen. Dat kon niet anders.
“Is het ver?” vroeg ze aan het kind.
Het meisje schudde haar hoofd en draaide zich om terwijl ze naar het bos wees. “Net over de heuvel, mevrouw. Bij het meer, bij de wegwijzer naar het dorp.”
Het meer en de wegwijzer naar het dorp… dat was niet zo ver. Daar kon ze nog net komen, zelfs met haar stramme benen. Ze keek het meisje nog eens aan. Wat een bijzonder kind. Het was bijna alsof er een soort licht om haar heen scheen, maar dat kon natuurlijk niet.
“Wacht hier, kind,” zei ze gehaast. “Ik moet nog een omslagdoek halen.”
Terwijl ze naar binnen ging, kreeg ze plots dat nare gevoel dat ze eigenlijk niet wist wat ze moest doen. Zelf kon ze geen koets mennen en met paarden had ze al helemaal niets. Haar grote gekleurde deken zou misschien helpen, maar die was veel te zwaar voor haar oude armen.
Nee… ze kon niet zelf gaan.
Ze moest naar de boerderij van Gerrit Blom. Die had een paard en wagen. En een hart van goud.
Op kerstavond durfde ze hem eigenlijk niet te storen, maar dit was een noodgeval.
Ze sloeg nog een wollen doek om zich heen, trok haar klompen aan en stapte naar buiten.
Het meisje stond geduldig te wachten. Wat een lief kind toch… zo warm, zo zachtmoedig.
En opeens voelde ze haar pijnlijke botten niet meer.
Ze bestrafte zichzelf omdat ze haar verbeelding zomaar zijn gang had laten gaan.
Dat arme schaap had zich vast wel een leukere kerstavond voorgesteld.
“We moeten naar Gerrit Blom,” zei Fien. “Die kan echt iets doen voor je vader en moeder.”
Het meisje knikte gedwee en liep al weg in de richting van de boerderij. Dat was vreemd. Hoe wist dat kind nou waar Gerrit Blom woonde? Maar goed, wat deed het ertoe? Die arme mensen hadden hulp nodig.
Maar het viel Fien niet mee, dat lopen in de huilende wind over die besneeuwde weg door de velden. O, wat was dat koud.
Het leek wel alsof ze helemaal geen jas aan had, want de kou drong gewoon door haar kleren heen en leek zich vast te grijpen aan haar rillende, oude lichaam. De natte sneeuwvlokken sloegen haar in het gezicht en ze hoopte maar dat ze snel bij de boerderij van Gerrit Blom zou komen.
Ze waren nu bijna halverwege; nog even en dan zou ze de lichtjes van de boerderij van Gerrit misschien al kunnen zien. Ze draaide zich om naar het meisje en wilde haar vragen hoe ze heette. Maar het kind … was weg. Er liep niemand achter haar aan.
De schrik sloeg Fien om het hart. Was dat kind per ongeluk afgedwaald en liep ze nu ergens huilend rond in de sneeuw? Maar dat kon eigenlijk niet, want de weg naar Gerrit Blom was dan wel besneeuwd, maar er stonden nauwelijks bomen en zelfs in deze storm zou ieder pienter kind de weg makkelijk kunnen volgen.
Fien keek bij het zwakke schijnsel van de maan die even tussen de wolken doorscheen, naar haar eigen voetsporen. Die van het meisje waren er niet. Dat kind was gewoon … verdwenen.
Op dat moment hoorde ze de hoeven van paarden achter zich en het gekraak van wielen. Ze draaide zich om en haar hart sprong op van vreugde. Daar kwam Boer Blom aan met zijn paard en wagen. Hij kwam natuurlijk uit het dorp en had lekkere dingen bij zich voor zijn familie om kerstavond te vieren. En misschien had hij het meisje ook wel gezien.
Gerrit, een stoere bonk, schrok zichtbaar toen hij Fien daar zo moederziel alleen in de sneeuw zag staan. Hij schreeuwde een bevel naar zijn paard en de wagen kwam direct tot stilstand.
“Fien,” zei hij met verschrikte stem. “Wat doe jij hier in vredesnaam op kerstavond? Foei toch… Straks vries je nog dood.”
“Gerrit,” zei ze beslist. “Er is een familie in nood. Bij het meer en de wegwijzer naar het dorp. Een vader heeft een tak op zijn hoofd gekregen en kan hun kar niet meer rijden. Er is ook een moeder met een baby. Die vriezen nog dood als je niet direct helpt.”
Gerrit Blom fronste zijn borstelige wenkbrauwen. “Hoe weet jij dat?”
“Er klopte een meisje bij me aan de deur. Ze was weggelopen om hulp te zoeken.”
“Een meisje?” vroeg Gerrit Blom. “En waar is dat kind?”
Fien sloeg haar armen uit, in verwarring. “Ik weet het niet, Gerrit. Ze was hier, maar nu is ze er niet. Het is zó’n lief kind. Ik denk dat ze teruggegaan is naar haar ouders.”
Gerrit was even stil. Fien kon hem zowat horen denken: Ze is oud… misschien moet ze naar de dokter.
“Het meisje was er echt, Gerrit,” riep Fien, bijna boos. “Je moet me geloven, anders bevriezen die mensen daar!”
“Goed,” gromde Gerrit. “Klim naast me op de bok. Dan gaan we er meteen heen.”
“Nee,” antwoordde Fien beslist. “Ik loop terug naar huis. Daar is het lekker warm. Het is maar even lopen, maar het is veel te koud om met je mee te rijden.”
Ze zag dat Gerrit dat geen goed idee vond, maar als ze nu terugliep was ze gauw weer thuis en dat was veel beter dan naast Gerrit op de bok te zitten in de kou. En ze had gedaan wat ze kon. Gerrit zou weten wat hij moest doen bij die arme gestrande mensen.
Toen Gerrit een minuut later wegreed op zijn korte route vervulde een diepe vrede Fiens hart. Wat voelde dat fijn. Ze draaide zich om en begon de tocht weer terug naar huis.
Gek genoeg voelde ze de kou niet meer. Het was net alsof er een kacheltje in haar hart was aangestoken dat heerlijk brandde en haar hele lichaam in een heerlijke gloed zette. Ze had dan niet veel gedaan, maar die arme familie bij het meer zou gered worden en dat maakte dat deze kerstavond wel heel bijzonder was.
Nog even en dan zou ze weer thuis zijn.
Toen zag ze een vreemde gloed die ze nog niet eerder had gezien. Daar, een beetje van de weg af, stond een grote eikenboom. Die boom kende ze wel. Daar had ze vaak onder gezeten in de zomer. Dan keek ze uit over de met bloemen bezaaide velden en dronk ze de schoonheid in als een reiziger die een heerlijke oase had gevonden na een lange, uitputtende tocht.
Maar dat was altijd een gewone boom geweest, net als alle andere bomen: die straalde niet. En op weg naar Gerrit Blom had hij dat ook niet gedaan.
Maar nu… was het anders.
Het leek wel alsof er licht uit die boom zelf kwam. En niet zomaar wat licht, maar een fonkeling alsof elke tak, tot in de kleinste twijg, bedekt was met lichtgevende kristallen die hun zachte glans de nacht instuurden.
Zou ze daar even gaan zitten?
Ze was zó moe. Ze kon haast geen stap meer verzetten.
Haar hart klopte in haar keel terwijl ze bleef kijken.
Het was maar een paar passen van de weg, dus ze stapte voorzichtig door de dikke sneeuw naar de lichtende eik.
Hoe heerlijk zou het zijn om daar heel even te rusten.
Misschien zelfs beter dan in haar stoel bij de kachel.
Toen ze dichterbij kwam, leek het alsof ze een zee van rust en vrede binnenstapte. De gelukzalige warmte die ze al eerder had gevoeld leek hier alleen maar sterker en opeens was het doodstil. Het gehuil van de wind was weg. Alles om haar heen leek te flonkeren. En haar moeheid … die was ook weg, net als die nare, lastige pijn in haar ledematen.
Of verbeeldde ze het zich maar en was ze gewoon duizelig van de kou?
Voorzichtig strekte ze haar arm uit en probeerde de boom aan te raken. Maar op dat moment verscheen het lachende gezicht van het meisje met de vlechtjes van achter de boom.
“Dit is het einde van je reis,” zei het kind met een stralend gezicht. “Je tijd is gekomen en ik mag je naar huis leiden.”
“N-Naar huis?” stamelde Fien.
Het meisje knikte en haar vlechtjes sprongen vrolijk op. “Iemand die zijn leven overheeft voor anderen, heeft de grootste liefde. Grotere liefde bestaat niet,” zei ze zacht. “Ga maar tegen de boom aan zitten. Meer hoef je niet te doen.”
En zo kroop ze onder de glanzende takken en sloot ze haar ogen.
***
Bij daglicht werd ze gevonden, met een vredige glimlach op haar lippen. Niemand kon zeggen wat er precies gebeurd was. Gerrit Blom had die avond drie mensen gered, maar hij kon zichzelf wel om zijn oren slaan dat hij Fien niet eerst naar haar huisje had gereden. Maar hij moest toegeven dat de hemelse rust die nog steeds van haar gezicht straalde wel heel bijzonder was. Ze had iets heel moois gezien, iets wat niemand anders gezien had, maar iedereen wist het zeker: Fien was op de stormachtige en donkere kerstnacht ergens heen gegaan waar het licht was.