Vreugde over één gevonden ziel
In de negentiende eeuw, in de wouden van Amerika vertelde een oude jager eens het volgende opmerkelijke verhaal aan een zendeling:
“De hele winter had ik alleen doorgebracht, jagend op wild. Het was maart, de tijd dat het ijs begon te barsten en los ronddreef. Ik bevond mij op een van de meest afgelegen meren die ik ooit had gezien, een plek waarvan ik dacht dat er in een straal van honderd mijl geen mens te vinden was.
Op een koude dag duwde ik mijn kano behoedzaam tussen de ijsschotsen door. Plotseling hoorde ik, net om de hoek van een uitstekende landtong, zware stappen door het water gaan. Het klonk zo luid en ritmisch dat ik zeker wist dat er een eland moest lopen. Met mijn geweer in de ene hand en mijn peddel in de andere gleed ik langzaam de bocht door.
Maar wat ik toen zag, vervulde me met verbijstering: Ik zag geen eland, maar een man die langs de oever door het ijskoude water strompelde. Zijn handen en voeten waren onbedekt en zijn kleren hingen in flarden langs zijn lichaam. Hij leek niet meer dan een skelet, zijn gezicht zag er hol uit, zijn bewegingen waren verward. Terwijl hij gebaren maakte met zijn handen mompelde hij onverstaanbare woorden tegen zichzelf. Hij was gewoon verloren in zijn eigen wereld.
Met grote moeite slaagde ik erin, hem mijn kano in te trekken. Aan land maakte ik haastig een vuur, maakte hete thee voor hem en gaf hem te eten. Hij was half bevroren, maar toen hij wat opwarmde en het voedsel hem nieuwe kracht had gegeven viel hij in een diepe slaap.
Uiteindelijk lukte het me om er achter te komen uit welk dorp hij afkomstig was. Het kostte me bijna een week om hem daar naar toe te brengen en dat was niet eenvoudig. De tocht voerde langs woeste watervallen, diepe ravijnen en ik moest hem voortdurend in de gaten houden omdat ik bang was dat hij opnieuw de wildernis in zou vluchten.
Eindelijk bereikte ik dan toch het dorp waarvan ik vermoedde dat het zijn thuis was. Daar vond ik een gemeenschap in beroering: meer dan honderd mannen zwierven door bossen en bergen op zoek naar de verloren man. Ze hadden afgesproken dat, zodra hij gevonden zou worden, de klokken zouden luiden en geweren afgevuurd zouden worden om het nieuws te verspreiden.
En zo gebeurde het. Zodra ik met hem aan land stapte, steeg er een luid gejuich op. Zijn vrienden omhelsden hem, de klokken luidden uitbundig en het geluid van geweerschoten weergalmde door bos en berg. Iedereen wist het: de verloren man is teruggevonden!
Ik had nog nooit mensen zo uitzinnig van blijdschap gezien. Hij behoorde tot een van de voornaamste families en men hoopte dat het verloren schaap spoedig weer de oude zou zijn. Ik was een week lang hun eregast. Toen ik vertrok, laadden ze mijn kano vol met voedsel, kleding en alles wat ik nodig mocht hebben. Iedereen was blij. Het was de vreugde om die ene verloren zoon die weer thuis was.”
Toen zweeg de oude jager.
De zendeling merkte op: “Doet dit je niet aan Lukas 15 denken? Aan de herder die de negenennegentig schapen achterliet om dat ene verloren schaap te zoeken, dat hij vol vreugde naar huis bracht? En aan de woorden van onze Heiland, dat er blijdschap in de hemel is over één zondaar die zich bekeert?”
“O ja,” antwoordde de jager zacht. “Ik heb de vergelijking vaak gemaakt. En al luiden er in de hemel misschien geen klokken en knallen er geen geweren, ik twijfel er niet aan dat ze daar hun eigen manier hebben om hun vreugde te laten weerklinken over iedere zondaar die zich bekeert en zijn blik op de hemel richt.”