Een kleine daad
Door Michael Owens
Heb je ooit iets willen doen om iemand te helpen of heb je er naar verlangd iets voor de wereld te betekenen, maar gingen je goede voornemens de mist in door de onzekerheid dat jouw pogingen verkeerd zouden kunnen uitpakken?
Zoiets maakte ik de vorige zomer mee toen ik samen met mijn vrouw iets ging eten in een wegrestaurant waar gebraden kip geserveerd wordt. Nadat we onze bestelling gedaan hadden namen we onze dienbladen met eten mee naar een tafel in het midden van de eetzaal. Aan een tafeltje in onze buurt zaten twee jonge mannen; duidelijk broers.
Het viel me op dat ze samen maar één maaltijd hadden en het was ook nog de goedkoopste en kleinste die op de menukaart stond. Daar kwam nog bij dat een van hen er helemaal niet goed uitzag. De gedachte kwam bij me op: “Koop nog een maaltijd voor hen.”
Ik stond al half overeind om iets te gaan bestellen toen ik opeens een andere gedachte kreeg: “Hoe ga je dan met het eten naar hun tafel en bied je het hen aan? Waarschijnlijk nemen ze geen liefdadigheid aan van een volslagen onbekende en dan sta jij voor aap met een doosje kip in je hand.”
Ik ging meteen weer zitten. Na er minutenlang mee geworsteld te hebben boog ik me over naar mijn vrouw en zette de situatie op gedempte toon uiteen.
Ze keek naar de broers, en wendde zich weer tot mij: “Als God je ingeeft om een maaltijd voor hen te kopen, dan moet je dat doen!”
Haar aanmoediging was precies wat ik nodig had en ik ging naar de toonbank om nog wat eten voor hen te bestellen. Ik was echter nog steeds onzeker over het idee dat ik ermee naar hun tafeltje zou lopen om het hen aan te bieden. Maar dat probleem loste zich vanzelf op. De jongste broer kwam naar de toonbank en ging naast me staan om te vragen om wat ketchup. Ik vroeg hem om nog even te blijven staan, aangezien het keukenpersoneel een maaltijd voor hem aan het klaarmaken was, die wij hem wilden aanbieden.
Hij kreeg tranen in zijn ogen toen hij uitlegde dat zijn broer een ongeneeslijke ziekte had en vanuit het ziekenhuis naar huis was gestuurd om zijn laatste dagen met zijn familie door te brengen. “Mijn broer is gek op gebraden kip, dus heb ik hem hier mee naar toe genomen om gezellig te gaan eten. Maar ik ben momenteel werkloos en ik heb niet veel geld, dus delen we samen een maaltijd. Ik ben je heel dankbaar!”
Ik kreeg zelf ook tranen in mijn ogen toen ik me realiseerde dat ik bijna de zegen gemist had die ik die twee broers kon geven. Mijn bezorgdheid over de weigering van mijn aanbod was volkomen ongegrond. En mijn gehoorzaamheid aan Gods ingeving had een klein beetje blijdschap gebracht te midden van hun verdrietige omstandigheden.