De genezen bezetene

Door Christmas Evans (1766 – 1838) 

De man uit wie de onreine geesten waren weggejaagd, smeekte Jezus of hij altijd bij Hem mocht blijven. Maar Jezus zei hem dat hij moest terugkeren naar zijn eigen huis en daar laten zien hoeveel God voor hem had gedaan. En zo ging hij op weg en verkondigde in heel de stad de grote daden die Jezus aan hem had verricht.

Ik stel me voor hoe hij daar door de straten liep, roepend: “Kijk naar mij! Ik ben die man die tussen de graven woonde. Ik ben de bezetene die iedereen angst aanjoeg, de verwilderde man die geen kleren droeg en die niemand kon vastbinden. Maar zie mij nu! Ik ben bij mijn verstand. Jezus Christus, de Vriend van zondaren, heeft zich over mij ontfermd. Toen ik in mijn diepste ellende was, toen niemand medelijden had en niemand mij kon redden, dacht Hij aan mij. Hij verdreef de duivels en verloste mijn ziel van de ondergang!”

Wat moet de verbazing groot zijn geweest in die stad. Vrouwen renden naar de ramen. Schoenmakers lieten hun leest en priemen vallen en stormden naar buiten om hem te zien. Iedereen wilde zich ervan verzekeren dat het echt was, dat dit geen bedrog kon zijn. En ze zagen het met eigen ogen: een wonder dat niet te ontkennen viel.

En terwijl iedereen sprak en zich verwonderde, ging de man naar huis. Ik zie het voor me: een kind rent vooruit en roept: “Moeder, vader komt eraan! Hij zal ons allemaal doden!” De moeder schrikt, roept de kinderen naar binnen en sluit de deur. Met een gebroken hart klaagt ze: “Geen verdriet is als het mijne!” De kinderen controleren de ramen. “Ja moeder, alles is dicht.”

Maar één dochter kijkt toch uit en zegt: “Moeder, ik kan bijna niet geloven dat het vader is! Die man is zo netjes gekleed!” En weer een ander roept: “Moeder, ik heb vader nog nooit zo zien thuiskomen. Hij loopt keurig over het pad. Vroeger kwam hij altijd dwars door sloten en hagen, recht op ons af.”

In spanning zien ze hoe hij het huis nadert. Hij klopt zachtjes op de deur. Er komt geen antwoord. Dan stapt hij naar het raam en spreekt met een vaste, zachte stem:

“Mijn lieve vrouw, wees niet bang. Ik zal je geen kwaad doen. Ik breng je een blijde tijding van grote vreugde.”

Voorzichtig gaat de deur open, tussen angst en hoop in. Hij gaat rustig zitten en zegt:

“Laat mij jullie vertellen wat God voor mij gedaan heeft. Hij heeft mij liefgehad met een eeuwige liefde. Hij verloste mij van de vloek van de wet en de dreiging van het oordeel. Hij redde mij van de macht van de zonde. Hij verdreef de duivels uit mijn hart en maakte dat hart, eens een hol van rovers, tot een tempel van de Heilige Geest.

Ik kan niet zeggen hoeveel ik van mijn Heiland houd. Jezus Christus is mijn hoop, mijn geloof, mijn liefde. Hij is mijn beste Vriend, mijn alles. In Hem vind ik wijsheid, gerechtigheid, heiliging en verlossing. Hij is genoeg om een arme zondaar rijk te maken en een gebroken mens gelukkig. Hij is mijn voedsel, mijn kleed, mijn reiniging. Door Hem heb ik eeuwig leven. Hij is de glans van de heerlijkheid van de Vader en het evenbeeld van Zijn wezen. Hem komt al mijn lof en dank toe! Want Hij heeft mijn ziel gered van de hel. Hij trok mij uit de modder, uit de diepte van de put. Hij zette mijn voeten op de Rots en gaf mij een nieuw lied in de mond: lof en eer aan God, voor eeuwig en altijd!”

Wat een onuitsprekelijke vreugde moet er in dat huis zijn geweest! De harten van de kinderen en de moeder moeten van blijdschap zijn opgesprongen. Welke aardse vreugde kan hiermee vergeleken worden? Niet de vreugde van een schipbreukeling die gered wordt; niet de vreugde van een gevangene die plotseling vrijheid ontvangt; niet de opluchting van een terdoodveroordeelde die gratie krijgt. Nee, deze vreugde is onuitsprekelijk en vol van heerlijkheid: het is de vreugde van iemand die verlost is van de eeuwige ondergang.

Laat een bericht achter:

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Lees de nieuwe Oppepper

Thuis of op je werk, een Oppepper maakt je sterk

Klik hier