Broeders op kerstavond

Door J.K.Stenger

Het was Kerstavond, 1917

Ik verschool me angstig achter een barricade van hout, modder en prikkeldraad en hield mijn geweer stevig omklemd, maar veel vertrouwen gaf het wapen mij niet. Er lagen al zoveel kameraden dood naast mij in de loopgraaf. Wanneer zou het mijn tijd zijn?

Plotseling daverde alles om mij heen. Een diepe dreun schokte door mijn lichaam en mijn oren voelden alsof ze van binnenuit samengeperst werden. Een onzichtbare, donkere hand leek me op te tillen, om me een paar tellen later weer hard op de grond te gooien.

Een granaat?

Mijn oren suisden, mijn longen brandden. Modder plakte mijn oogleden dicht; als ik ermee probeerde te knipperen voelde het aan als schuurpapier. Ik wreef de aarde uit mijn ogen en keek verward om me heen.

Waar was ik?

In een krater; omringd door stukken metaal en klonten nat, smerig slijk. Mijn been bloedde, maar het leek niet ernstig; slechts een vleeswond. Dat zou wel genezen. Hoe ik hier terecht was gekomen, dat was een raadsel. Ik moest terug, en snel ook. Terug naar de betrekkelijke veiligheid van de loopgraaf. Hier was ik alleen en onbeschermd. Ik had niet eens mijn geweer meer. Had ik mijn zakbijbel nog?

Ja, tot mijn opluchting had ik die nog.

Met moeite stak ik mijn hoofd boven de rand van de krater uit. Wat ik zag, was geen mooi gezicht. Overal rook, vuur en verwoesting en daaroverheen de verschrikkelijke geluiden van inslaande granaten, ratelende geweren en schreeuwende mannen. Het was alsof ik naar een concert uit de hel luisterde; een muziekstuk waar geen mens iets aan had.

Net toen ik me weer in de krater wilde laten terugzakken, hoorde ik een kuch achter me.

Ik keek om en tot mijn ontzetting zag ik een vijandelijke soldaat de krater in strompelen. Zijn gezicht was asgrauw van pijn, maar hij had wel een geweer. De bajonet glinsterde in het licht.

Toen zag hij mij.

Zijn uitdrukking veranderde. Hij zette zijn pijn, vermoeidheid en angst opzij en keek mij aan met vernietigende, harde ogen.

Mijn hart bonsde. Niet bewegen. Niet knipperen.

Hij leek even te twijfelen, maar richtte uiteindelijk zijn geweer op mijn borst.

God, help me.

Het leek wel alsof alles in slow motion werd afgedraaid. Nog een paar tellen en dan zou alles voorbij zijn. Ik zag het gezicht van mijn dochter. Haar cadeautjes onder de kerstboom… de taart… de kaarsjes… hoe ze mij een kusje gaf. En Catherine, mijn lieve vrouw… Wie zou er voor haar zorgen als ik stierf?

Maar dat kon niet. Dat mocht niet. Kerstavond was geen nacht om te sterven. Dit moest een nacht zijn van vrede en licht. Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen…

Vreemd genoeg voelde ik geen angst. Ik was niet bang om te sterven. De hemel zou beter zijn dan deze hel op aarde. Maar ik moest blijven leven… echter, hoe? Ik had niets om mij mee te verdedigen.

Mijn Bijbel.

Wat een dwaasheid. Een Bijbel was geen wapen. Die soldaat zou mij uitlachen. Mij bespotten, alvorens zijn kogel mij genadeloos zou verscheuren. Maar het was het enige dat ik kon bedenken. Dus trok ik mijn zakbijbeltje uit mijn jas en hield het boekje als een schild voor me.

Voor een kortstondig moment leek zelfs de oorlog om ons heen zijn adem in te houden; de tijd stond stil. De ogen van de soldaat werden groot en hij staarde mij aan, vol verbijstering.

Hij liet zijn geweer zakken en gooide het op de grond. Hij tastte in zijn zak en tot mijn verbazing haalde ook hij een kleine Bijbel tevoorschijn. Hij hield hem omhoog zodat ik hem goed kon zien en sprak langzaam, bijna plechtig:

“Brüder?”

Verwonderd knikte ik en fluisterde terug:

“Ja, broeders.”

Zonder nog een woord te zeggen kwam hij dichterbij. Zijn vuile, ongeschoren gezicht kreeg een zachte glimlach en de haat en de hardheid in zijn ogen verdwenen. Hij hurkte naast mij neer en wreef met zijn bemodderde hand over zijn helm.

“Verschrikkelijke oorlog,” mompelde hij. “Ich bin Franz.”

“Melvin,” antwoordde ik, nog trillend. Ik keek naar zijn gehate uniform, maar zag geen vijand meer. Franz was jong, met strohaar, eigenlijk nog maar een jongen, vast niet ouder dan negentien of twintig.

Toen wees hij met een bebloede vinger naar zijn Bijbel en zei met een zwaar Duits accent:

“Es ist Kerstmis.”

Ik knikte. Dat was het. Maar deze wereld van bloed en modder had weinig gemeen met de herdertjes op het veld die engelen zagen en naar Bethlehem gingen om het kerstkindje in een kribbe te vinden.

Toch had hij gelijk. Het was Kerstavond en ik voelde opeens een vreemde verbondenheid met die ongeschoren soldaat die mijn vijand had moeten zijn.

Franz haalde een verkreukelde foto van een beeldschone vrouw tevoorschijn.

“Frau,” zei hij trots. “Woont in Koblenz.”

“Mooi,” antwoordde ik en liet hem een foto van mijn vrouw zien. Hij keek ernaar alsof ze een heilige was, knikte eerbiedig en fluisterde:

“Eine schöne Frau.”

We wisten niet goed wat we nog konden zeggen. Maar woorden waren niet nodig. We zaten naast elkaar, in een bijna heilig moment van vrede, midden in die waanzinnige oorlog. Een granaat sloeg vlak naast de krater in, maar doofde. Wij tweeën zaten er als broeders. Veilig in ons kleine stukje stilte.

Het schemerde, en weldra zou de duisternis over het slagveld vallen. Misschien konden we dan, als het donker was, terug naar onze eigen linies. Maar beide legers stuurden luisterpatrouilles uit, dus we moesten erg voorzichtig zijn en fluisteren. Een felle lichtkogel schoot boven ons omhoog en verlichtte het slagveld met een harde, koude gloed. We bleven stokstijf zitten.

Toen haalde Franz een Duitse chocoladereep tevoorschijn.

“Eet,” zei hij zacht. “Hij is lekker.” Hij haalde hem uit de verpakking met de precisie van een chirurg. “Eerste chocolade in drie maanden. We delen, jah?”

“Ja, we delen,” zei ik. “We delen alles wat we hebben. Ik… ik geef jou een kerstgeschenk.”

Hij trok zijn wenkbrauwen op toen ik in mijn zak rommelde en een klein zilveren kruisje tevoorschijn haalde, een geschenk van mijn vrouw. Ik legde het in zijn hand. Franz kreeg tranen in zijn ogen.

“Ik had ook zo’n kruisje,” fluisterde hij. “Maar kwijtgeraakt… ergens op het slagveld.”

Toen duwde hij de hele chocoladereep in mijn handen.

“Dit is mijn geschenk voor jou deze Kerst. Jij mag alle chocolade hebben.”

Ik schoot in de lach.

“Wil jij dat ik alles opeet terwijl jij niets hebt?” Ik schudde mijn hoofd. “Dat gaat niet gebeuren. Niet op Kerstavond.” Ik brak de reep in tweeën en gaf hem de helft terug.

Hij bloosde. “Ik heb niets anders om je te geven,” fluisterde hij.

“Jawel,” zei ik zacht. “Je hebt mij je vriendschap gegeven. Ik had geen mooier cadeau kunnen wensen.”

Hoewel we elkaar maar met moeite konden verstaan, leek hij mij te begrijpen, want er verscheen een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. Toen toonde hij het kruisje van mijn vrouw weer en zei:

“Na oorlog weer jouw kruisje.”

“Goed,” zei ik.

Ik pakte mijn veldfles; er zat nog wat lauwe koffie in. Ik zette hem tussen ons in, als uitnodiging, en zo zaten we daar. In stilte. De wereld was duister, maar ik had het gevoel dat onze krater omringd was door een bovenaards licht, onzichtbaar voor iedereen, maar sterk als een schild.

Een kerstlied kwam in mijn gedachten. Ik wist dat zingen gevaarlijk was, maar iets in mij zei dat ik moest zingen. Dus begon ik de melodie te fluisteren:

Stille nacht, heilige nacht
Slaap gerust, sluimer zacht
Kindje, niets dat uw rust nog verstoort
Stil is alles, slaap rustig voort
Eng’len houden de wacht
Slaap dus maar rustig, slaap zacht

Franz’ ogen begonnen te stralen en hij neuriede zacht mee in het Duits.

Tranen vulden mijn ogen. In een wereld vol geweld, midden in de hel, zaten twee vijanden als vrienden bij elkaar, in een stukje hemel.

Niemand ontdekte ons. Ik ben ervan overtuigd dat een cordon van onzichtbare engelen de zoeklichten bij onze krater wegleidde.

We sliepen die nacht niet. We probeerden ook niet terug te sluipen naar onze loopgraven. We deelden zo goed als we konden onze levensverhalen, onze angsten, onze dromen. We hadden misschien wel de meest bijzondere Kerstavond ooit.

Bij het eerste morgenlicht vonden Duitse soldaten ons. Ze waren niet vervuld van datzelfde licht dat Franz had gevonden. Ondanks zijn protesten sleurden ze mij weg. Ik werd krijgsgevangene. Terug de zondige wereld in, maar de vrede die ik die nacht vond, bleef voorgoed.

***

Keulen, 1930

Ik liep door de stationshal. Het was opnieuw Kerstavond en ik was naar Duitsland gekomen. Ik had eindelijk gehoord waar Franz was. Hij leefde nog, werkte als kok in een respectabel restaurant, en we hadden afgesproken elkaar op Kerstavond te ontmoeten.

Hij zag mij meteen toen ik uit de stationshal kwam en onze blikken ontmoetten elkaar. Hij was nog steeds blond, al werd hij kaler, maar zijn ogen straalden met dezelfde zachte gloed als die avond in de krater. Er verscheen een brede glimlach op zijn doorleefde gezicht en hij kwam op mij afgerend. Toen hij dichterbij was, greep hij mij vast en nam hij mij in een stevige omhelzing, onverschillig wat anderen daarvan zouden denken.

“Vanavond,” zei hij, “ben jij de eregast in het restaurant waar ik werk. Vanavond herbeleven wij onze Kerstavond uit de loopgraaf. Ik heb de eigenaar verteld over onze ontmoeting, en hij zal voor ons koken. Voor niets. Maar eerst dit…”

Hij zocht in zijn jaszak en haalde daar het zilveren kruisje van mijn vrouw uit.

“Ik zei het je toch,” sprak hij, “na de oorlog geef ik het je terug.”

Toen nam hij mijn handen in de zijne en zei met gebroken stem: “Vijanden door oorlog, maar broeders door genade.”

De tranen sprongen ons in de ogen.

Laat een bericht achter:

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Lees de nieuwe Oppepper

Thuis of op je werk, een Oppepper maakt je sterk

Klik hier