Toen Hij bij me kwam

Door Koos Stenger

Iedereen viert wel bijzondere dingen.

Op zo’n dag krijg je een blij gevoel. Je verjaardag, Kerstmis, Pasen of een jubileum van dienstjaren, als je even in het zonnetje wordt gezet voor de jaren van getrouwe arbeid die achter je liggen.

Dat wordt doorgaans gevierd door grijsharige mannetjes met rimpelige, vriendelijk lachende gezichten. De baas van het bedrijf roept zo’n man naar voren en dan krijgt hij een dure vulpen cadeau of als het even meezit, een vakantiereis naar Majorca, alles inbegrepen.

Deze keer was ik aan de beurt.

Voor mij geen dure vulpen of een exclusieve reis. Maar eerlijk gezegd heb ik toch niet veel met dat soort dingen. Ik geloof dat ik iets veel beters zal krijgen, ofschoon ik er misschien nog een tijdje op moet wachten.

Wat voor gelegenheid was dit? Ik wou nog niet ophouden met werken en ik was niet jarig.

Maar ik had een mijlpaal van 50 jaar bereikt.

Ik zal je erover vertellen.

Het begon 50 jaar geleden. Nog veel eerder, eigenlijk. 

Het begon al toen ik de moederschoot verliet en in een lade van mijn vaders bureau werd gelegd omdat ik een paar weken te vroeg kwam en niemand er nog aan gedacht had om een wiegje voor me te kopen.

Dat was het begin van mijn zoektocht.

Baby’s groeien op als tere jonge plantjes en beginnen hun omgeving te verkennen. Ze groeien op tot peuters, kleuters, dan worden het oudere kinderen, daarna beginnen hun tienerjaren. In die periode lijkt nergens meer iets van te kloppen.

Ze horen opeens een stem in hun binnenste die hen vertelt dat niets is zoals het eerst leek te zijn. Een stem die beweert dat er een reden is waarom ze op deze aarde rondlopen, en dat er een plan bestaat. Maar het is allemaal erg vaag en gehuld in een mysterieus waas. Er moet iets zijn, maar wat het is, dat weten ze niet en dan begint de zoektocht naar de Heilige Graal van het leven. Tenminste, zo ging het bij mij.

Ik kwam erachter dat er een holle plek in mijn binnenste zat die opgevuld moest worden. Met kennis misschien? Een beetje kennis kwam er wel aan te pas, maar daarbij rezen nog meer vragen. Was het geld misschien? Het was fijn om wat geld te hebben, want zonder geld kwam je niet ver. Maar hoeveel geld was dan genoeg?

Mijn vader, die bij ons wegging toen ik drie was, beweerde dat een goedgevulde beurs het belangrijkst was. Dat zou best kunnen, maar waarom was hij dan zelf zo ongelukkig, met al zijn aardse schatten?

Religie? Er waren mensen die zeiden dat de juiste religie de deuren van al het goede opende. Niet de religie van de kerk, natuurlijk. Die leek me maar saai, ongeestelijk en de kerken zaten vol met mensen die nooit iets leuks deden. Daarom onderzocht ik oosterse mystieke religie. Ik bouwde een altaartje voor Boeddha in mijn studentenkamer, las tientallen boeken over het onderwerp, en deed oefeningen. Helaas. Alles maakte me nog meer in de war. 

Toen kreeg ik het idee om het met drugs te proberen.

Ja, dat moest het zijn. Dat ging veel sneller dan urenlang op je hoofd staan. De boeddhistische leer die me vertelde dat ik mijn slechte natuur door de kracht van discipline moest uitwerpen was eigenlijk te lastig voor me. Drugs maakten het leven gemakkelijker.

Een LSD-pil was voldoende om de weg naar verborgen mysteries vrij te maken. Ik kreeg allerlei openbaringen en alle grenzen van het normale werden bij me doorbroken als luciferhoutjes in de hand van een reus. Alle antwoorden die ik zocht lagen voor me gereed als blinkende steentjes op een opwindende, bovennatuurlijke weg.

Helaas waren die ontdekkingen niet van blijvende aard.

Als ik wakker werd uit de betoverende wereld die alleen ik begreep, was alle kennis weer verdwenen. Alle flarden van vermeende waarheid spoelden weg als water door een zeef en er was niets van over.

Dat was dus ook het antwoord niet.

Er moest iets beters zijn. Toen kreeg ik een nieuw idee. 

India…

Ik moest naar het land van de mystiek en de goeroes die het antwoord wisten. Ik dacht geen moment aan de armoede daar, de vuile condities, de vreemde dingen die de overhand hadden in dat enorme land.

Hoe kon ik daar komen? 

Te voet natuurlijk.

Te voet naar India! Die is gek.

Dat was ik ook. Ik zei je al dat ik geestelijk ziek was geworden, dat ik maar wat aandeed zonder iets behoorlijk te plannen en dat ik een verdraaid beeld van de werkelijkheid had.

Maar ik ging toch op weg. Op een regenachtige dag ergens in februari.

Ik ben er echter nooit aangekomen.

Ik haalde nog juist de eerste bossen over de Duitse grens. Ik was in het westen van Nederland begonnen, dus was het nog wel een prestatie om daar te voet te komen, maar Duitsland is natuurlijk niet hetzelfde als India. Mijn doel was niet bereikt.

Ik weet nog goed hoe ik me voelde, hoewel een heleboel details wat vervaagd zijn. Maar er is één ding dat ik nooit zal vergeten. De eenzaamheid die ik voelde in die tijd tijdens mijn voetreis, die is met geen pen te beschrijven. Het was een angstaanjagende, eenzame tijd. Ik zwierf door de velden, vond mijn slaapplaats in hooibergen en als het koud was had ik nauwelijks iets om me warm mee te houden. Ik leerde hoe het was om eenzaam te zijn.

Toen kwamen de tranen.

Ik was verloren. Ik was verdwaald in een wereld zonder hoop en zonder God.

Zonder God?

Wacht eens even, met de tranen kwam er nog iets anders.

Er was iets bij me. Op die momenten van wanhoop voelde ik een nabijheid die zacht was en warm en troostend. Iedere keer als de wanhoop me dreigde te overspoelen was er een onhoorbare, maar toch duidelijke stem die zei: “Wees maar niet bang, vrees niet, Ik ben er om je te helpen.”

Wie was dat?

Er was niemand in de buurt, maar toch was hij er. Ik was alleen, maar toch niet alleen.

Was ik nu mijn verstand kwijt?

Welnee.

De waarheid drong langzaam tot me door. Het was geen kennis waar ik naar zocht, het was niet het geld en het was geen religie. God was niet een idee, maar een Persoon, levend en echt.

Weer huilde ik. De tranen bleven stromen maar het waren niet meer de tranen van eenzaamheid, frustratie of verbittering. Het waren tranen van vreugde.

En dat is nu meer dan 50 jaar geleden.

Al die jaren heb ik die Nabijheid gediend. Het zijn goede jaren geweest. Ik heb best mijn ups en downs gekend. Het was niet een en al vreugde, mijn portie pijn heb ik ook gehad. Maar Hij heeft me nooit in de steek gelaten, nog geen seconde. 

Daarom geef ik niet erg om een pen van het bedrijf of een luxe reis naar een eiland. Binnenkort komt er iets veel beters aan. En daarom hoeft verder niemand veel ophef te maken over mijn jubileum.

Het was tenslotte niet mijn eigen prestatie. Toen ik nog de baas was in mijn eigen ziel kwam ik in een put terecht op weg naar India. Mijn hoofd vol met drugs en mijn hart verteerd door ellende.

Maar toen die Nabijheid kwam werd alles anders voor me.

Meestal worden mensen die het 50 jaar bij hetzelfde bedrijf hebben uitgehouden, geëerd om hun kennis en ervaring. Ben ik ook zo iemand? Ik weet het niet. Ik heb nog steeds veel te leren maar er is één ding dat ik zeker weet en dat is: Vertrouw op die Nabijheid. Hij zal je nooit in de steek laten.

____

Laat een bericht achter:

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Lees de nieuwe Oppepper

Thuis of op je werk, een Oppepper maakt je sterk

Klik hier