De rijksdaalder

Door J.K. Stenger

Het jongetje vond hem op Paaszondag.

Hij lag voor de helft begraven onder de modder aan de kant van de weg. De zonnestralen werden erin weerkaatst, waardoor hij er heel kostbaar uitzag.

Een zilveren rijksdaalder!

Met kloppend hart veegde hij hem aan zijn broek af. Wat een geluk! Zijn vriendjes zouden groen van jaloezie worden en hij was ook veel waard. Maar hij zou hem niet verkopen, nee, hij wilde hem houden als geluksmunt.

Hij gooide hem omhoog en zijn hart jubelde van vreugde.

Nu nog een ijsje, dan zou zijn dag volmaakt zijn.

Terwijl de rijksdaalder in zijn hand terugviel hoorde hij het belletje van de ijscoman. Die kwam er juist aan om de hoek en stopte naast hem. De ijscoman, meneer Dorus, een goedige man met een gigantische snor, grijnsde en zei tegen hem: “Ik heb zo’n idee dat jij wel een ijsje lust.”

Het jongetje had echter geen geld. Hij had wel zijn rijksdaalder die hij net gevonden had, maar zelfs een ijsje was niet genoeg om die op te geven. Maar meneer Dorus had een goede bui en zonder het antwoord af te wachten haalde hij het deksel van zijn ijskoeler af en maakte een heerlijk ijshoorntje voor hem klaar. “Ik ben vandaag jarig,” zei hij vrolijk. “Je hoeft niets te betalen.”

Met een bevend handje nam het jongetje het ijsje aan en dankte meneer Dorus hartelijk.

Toen de ijscokar weer om de hoek verdwenen was, scheen hij diep in gedachten te zijn. Die munt was iets heel bijzonders. Die kon wensen vervullen.

Hij wou juist zijn eerste likje nemen van zijn ijsje toen Jos er opeens aankwam. Jos was de bullebak van de buurt; daar zat niemand op te wachten.

Het jongetje wilde zich omdraaien en weglopen, maar hij was al te laat. “Een ijsje?” schreeuwde Jos al in de verte. “Daar heb ik wel trek in!”

De aanblik van Jos die met grote passen kwam aanlopen vervulde hem met angst.

Maar wacht eens even! Hij had een geluksmunt. Met een wanhoopsgebaar gooide hij de munt in de lucht en fluisterde: “Munt, hou Jos tegen!”

Toen gebeurde er iets verbazingwekkends. Jos gleed uit op de stoep en belandde in een modderplas, waar hij begon te huilen.

Het jongetje glimlachte voldaan en rende weg. Het was de munt weer gelukt.

Toen hij verder liep kwam hij langs de kerk. De koster stond bij de open deur en wenkte hem naar binnen. “Kom binnen, jongen. Het is Pasen.”

Sinds zijn oma er niet meer was, had hij geen voet meer binnen de kerk gezet. Hij was boos geweest op God omdat Hij haar weggenomen had, ook al had mama gezegd dat oma toch al 97 was en dat het haar tijd was. Maar toch was het niet eerlijk geweest.

Als hij nou zijn geluksmunt weer probeerde? Ja, hij zou naar binnen gaan en stiekem zijn munt opgooien terwijl hij wenste dat oma terug zou komen.

Hij lachte de koster toe en ging de kerk in. De hele ruimte werd verlicht met een etherisch licht. Er brandden kaarsen en er werd gewijde muziek gespeeld, waarbij het koor een lied zong. Wat een geweldige plek om zijn munt te gebruiken.

Hij bleef achterin staan en gooide zijn rijksdaalder op, terwijl hij fluisterde: “Oma, kom terug.”

Net op dat ogenblik barstten de zangers in het koor los in een geweldig crescendo.

Christus is opgestaan! Christus is opgestaan!
De hemelpoort staat open
Wij zijn bevrijd van het hellevuur voortaan
En kunnen de heerlijkheid binnenlopen.

De muziek klonk zo overweldigend dat het jongetje de munt tussen zijn vingers door liet glippen en deze op de stenen vloer viel. O, nee! Hij brak in stukken. Het was toch geen rijksdaalder geweest maar een namaaksel. Hij was niet eens van echt metaal maar van het een of andere breekbare spul. En oma was niet teruggekomen. Het was allemaal maar een vergissing geweest.

Daar was het laatste deel van het lied.

De dood is overwonnen en wij zijn vrij;
Jezus behaalde de overwinning voor mij. *

Terwijl het jongetje naar het lied luisterde werd hij helemaal warm van binnen en al zijn droefheid was verdwenen. Oma was helemaal niet dood. Ze leefde in de hemel. Ze had hem altijd al verteld dat ze zich klaarmaakte om naar de hemel te gaan. “Wensen doen is verkeerd, mijn kind,” had ze vaak tegen hem gezegd. “In plaats daarvan moet je bidden en je leven in Gods handen leggen. Met Pasen is Jezus uit de dood opgestaan en we hoeven nooit meer bang te zijn. Geloof je dat?”

In die tijd had hij er niet veel van begrepen, maar nu klopte het allemaal. Oma leefde omdat Jezus de dood had overwonnen. Hij glimlachte terwijl hij de waardeloze munt onder de kerkbank schopte, vlakbij een mollige dame die op de achterste bank zat. Ze draaide zich om met een vriendelijke uitdrukking op haar gezicht. “Kom hier zitten,” fluisterde ze. “Kom, luister naar het verhaal van de Opstanding. Het is zo mooi.”

*Vrije vertaling van “He is risen,” door Cecil Francis Alexander 1846

Laat een bericht achter:

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Lees de nieuwe Oppepper

Thuis of op je werk, een Oppepper maakt je sterk

Klik hier